Zet de zinnen in de verleden tijd.
1. hechten De verpleger de wond niet zo netjes!
2. smeden In de donkere kelder de schurken hun plan.
3. braden De kok de gehaktballen op hoog vuur.
4. knippen Mijn nichtje mijn haar voor de eerste keer.
5. bekladden Voordat we gingen behangen, we de muren.
6. verwoesten De vulkaanuitbarstingh vele dorpjes.
7. storten Het vliegtuig in een diep ravijn.
8. bloeden De vinger als een rund.
9. stranden De boot op een eiland na de storm.
10. beplanten De hovenier het gemeentelijke plantsoen.
11. stoten Ik mijn knie aan de tafelpoot.
12. vervreemden De zoon van zijn adoptieouders.
13. benutten De scholier zijn tijd goed voor zijn huiswerk.
14. vermoeden Ik al dat hij niet te vertrouwen was.
15. verkleden De vrienden zich als piraat voor het carnaval.