Proefwerk geschiedenis: De Middeleeuwen 
Zet een kruis voor de goede zin
1. Rond het jaar 1000 na Christus kwamen er steeds meer steden in Nederland. Hoe kwam het dat er meer steden ontstonden?
A Er kwamen meer wegen, waardoor er dorpen gebouwd konden worden.
B Er kwam steeds meer handel. Als de handelsreizigers niet op reis waren bleven ze in het dorp wonen.
C In plaats van hout konden ze steeds meer stenen gebruiken en daardoor groeiden de dorpen.
D De mensen kregen steeds meer behoefte aan veiligheid, daardoor gingen de mensen in de middeleeuwen de huizen bij elkaar zetten en daardoor ontstonden er dorpen / steden.

2. De dorpen en steden ontstonden niet zomaar. Op welke plaatsen ontstond een dorp of een stad?
A Op die plaatsen waar veel mensen elkaar ontmoetten en dus was die plaats geschikt om te bouwen.
B De steden ontstonden bij een kasteel of kerk of bij een kruising van wegen of bij een weg die een rivier kruist.
C Eerst ontstonden er kastelen en als bescherming werd er altijd juist op die plaats een stad gebouwd.
D Steden onstonden altijd op die plaatsen waar de mensen week- of jaarmarkten hielden.
3. De kooplieden die in een dorp of stad woonden, wilden graag nieuwe regels en wetten. Ze stapten toen naar de kasteelheer of naar de bisschop om te onderhandelen. De kooplieden hadden eigenlijk twee belangrijke wensen. Weet jij welke twee wetten de kooplieden graag wilden?
A De kooplieden wilden graag een eigen bestuur en een week- of jaarmarkt.
B De kooplieden wilden zelf graa een eigen stenen huis en een week- of jaarmarkt.
C De kooplieden wilden zelf de stad besturen en wilden niets meer te maken hebben met de kasteelheer.
D De kooplieden wilden graag wat vaker feestjes bouwen buiten het kasteel en daarna de week- of jaarmarkt niet zelf opbouwen maar laten opbouwen.

4. De kasteelheer of bisschop wilden heel graag luisteren naar de kooplieden (bracht geld op dat luisteren....) De kooplieden kregen dan een perkamenten brief. Welk belangrijk recht stond in deze brief?
A Dat het dorp inderdaad voortaan haar feesten buiten de kasteelmuren mocht houden.
B Dat het dorp haar wegen mocht verharden.
C Dat het dorp stadsrechten kreeg.
D Dat het dorp geen binding meer hoefde te hebben met de kerk of kasteelheer.
5. In deze perkamenten brief stonden alle rechten en plichten opgeschreven. Wat moesten de kooplieden in ruil voor die rechten aan de kasteelheer of bisschop geven?
A Ze moesten levend vee afgeven ivm de vasten.
B Ze moesten een gedeelte van de oogst afgeven.
C Ze moesten de kasteelheer of bisschop ook op hun feestjes uitnodigen.
D Ze moesten belasting betalen.
6. De stad Zutphen heeft de oude perkamenten brief nog met de zegel van de landheer van graaf van Otto van Zutphen. Weet jij hoe oud die brief ongeveer is?
A 500 jaar
B 1500 jaar
C 100 jaar
D 800 jaar

7. Waarom bouwden de mensen van Zutphen een stadsmuur?
A Om zich te kunnen verdedigen tegen eventuele indringers.
B Als ze op die muur konden staan dan hadden ze een mooier uitzicht.
C Ze wilden alle stenen opmaken die ze hadden.
D Dan konden ze de kasteelheer of bisschop gemakkelijk buiten de stad houden.
8. In de stadsmuren waren ook verschillende openingen. Zo had je een ophaalbrug maar ook een opening voor de rivier. Als het donker werd of het was onveilig dan konden de mensen de poort boven de rivier afsluiten. Wat gebruikten ze daarvoor?
A Met zogenaamde watervaste poorten.
B Met zogenaamde valhekken.
C Met stalen pinnen.
D Met zogenaamde ophaalbruggen.

9. In de Middeleeuwen is weleens een halve stad afgebrand. Hoe zou dat gekomen zijn denk je?
A De huizen stonden niet heel ver van elkaar af.
B Doordat er geen water bij de stad was.
C De meeste huizen waren van hout en dat brandt dus erg goed.
D De kasteelheer of bisschop wilde de stad na die perkamenten brief niet meer beschermen.
10. Je hebt het filmpje gezien hoe de ambachtslieden in hun huizen woonden. De mensen leefden........
A Ze leefden in één ruimte, hierin werd gewerkt, geslapen en gekookt.
B Ze hadden meerdere ruimtes waarin ze konden werken
C Ze gingen na het slapen vaak bij de buren omdat die meer ruimte hadden.
D In het begin was het allemaal krap, maar al snel konden ze veel uitbreiden.

11. De ambachtslieden moesten hard werken en leefden in kleine huisjes. Maar wat aten deze ambachtslieden?
A Groenten afgewisseld met frikandellen-speciaal.
B Alleen verse groenten met heel weinig vlees.
C Havermoutpap maar soms ook vlees met groenten.
D Bier aangevuld met een soort brood.
12. Je hebt het filmpje over het straatleven in de Middeleeuwen gezien. Het was niet altijd zo fris om op straat te lopen. Wat gebeurde er allemaal op straat?
A Niet zo heel veel, de mensen leefden vooral in hun huizen, daar was veel bedrijvigheid.
B Mensen en dieren liepen over de straat. Afval van mensen en dieren lag overal op straat. De ambachtslieden verkochten hun spullen op straat.
C Op elke hoek van de straten was wel een voorstelling van artiesten te zien of een verkooppraatje van een kwakzalver die zijn drankjes en zalfjes probeerde te verkopen.
D Het zag er allemaal vrij netjes uit, waardoor er ook weinig ziektes uitbraken.
Succes.......